Anwaroel Qoeraan

Uitleg van de

Heilige Koran

door

Dr. Basharat Ahmad

Al-Ichlaas

De Eenheid

 

Hoofdstuk 112

Home

 

 

 

Vertaald door

R. Ghafoerkhan

 

Uitgever:

Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam

Zeg: Hij, Allah, is Eén.

Allah is Hij van Wie alles afhangt.

Hij baart niet, noch is Hij gebaard.

En niemand is Zijn gelijke.

 

Het hoofdstuk Al-Ichlaas (De Eenheid) werd te Mekka geopenbaard. Het is zo genoemd omdat het geloof in de Eenheid van Allah gezuiverd is van alle vormen van sjirk (polytheïsme) en er een duidelijke uitleg van is gegeven. Tevens levert dit hoofdstuk ook een veelomvattende verheldering over de Eenheid van Allah.

 

In dit hoofdstuk is de Eenheid van Allah vanuit elk aspect vervolmaakt. Wij worden geboden te zeggen: Allah is ÉÉN. Het woord Hoewa (Hij) wijst naar de innerlijke natuur van de mens die getuigt van het bestaan van Allah. Het is mogelijk dat deze eigenschap voor een tijdje onderdrukt wordt door het plezier en de extase van dit wereldse leven, maar het kan nooit worden weggewist. Wanneer de mens zich in pijn of moeilijkheden bevindt of zijn eigen hulpeloosheid en zwakheid voelt, dan strekt zijn natuur instinctief en zichtbaar de hand uit naar dat Opperste Wezen op zoek naar bescherming, aangezien hij weet dat het hulp kan verkrijgen van die Bron, net zoals het de aard van een onschuldig kind is om zich spontaan tot zijn moeder te wenden wanneer hij pijn, moeilijkheden of eenzaamheid ervaart. De geest van de mens erkent op natuurlijke wijze het bestaan van Allah en het woord Hoewa (Hij) is een indicatie van die inherente neiging in de mens.

 

Sommige soefi’s beschouwen Hoewa zelfs als één van de namen van Allah en zij houden zich constant bezig met het herhalen van dit woord (Hoewa). Met andere woorden, Allah beveelt onze Heilige Profeet als volgt:

 

“O Mohammad! Profeet van Allah, u die de wereld de ware, authentieke en diepe kennis van Allah onderwijst, vertel de mensen dat dat Wezen, Waarvan hun innerlijke zelven getuigen, oftewel Allah, de Weergave van alle volmaakte attributen en de Volmaakte in schoonheid en goedheid is, Allah, Die Eén is en zonder enige deelgenoot.”

 

Hier wordt het woord Ahad gebruikt, omdat het de Eenheid van Allah in de hoogste graad van volmaaktheid uitdrukt. Dit betekent dat Hij Eén is in Zijn persoon, Eén in Zijn attributen en ook Eén in Zijn daden. In feite bestaat er niet de minste mogelijkheid van dualiteit in Hem.

 

Tegenwoordig heeft de wetenschap na uitputtend onderzoek bewezen, dat de specifieke aard van alle dingen en hun inherente krachten naar één doel toewerken. Dit bewijst afdoende dat de Kracht, Die een totale macht heeft over alles, de Ene Opperste Wetmaker en Regelaar Die elk ding leidt naar zijn bestemde doel van volmaaktheid, Eén is.

 

Ondanks alle ogenschijnlijke en onderling tegenstrijdige krachten in de wereld blijft het een feit, dat alle dingen naar één doel toewerken, en dat er slechts Eén Almachtig Wezen is Die hen leidt langs hun verscheidene paden, zodat elk van hen zijn volmaaktheid kan bereiken. Kortom, alle wetenschappers stemmen over één punt overeen, namelijk dat er slechts Eén Wezen kan zijn die de zaken van de wereld reguleert.

 

Een Christelijke vader presenteert trots een achterhaalde wijze van logica, welks stupiditeit ons spontaan in lachen doet uitbarsten. Hij stelt namelijk dat wanneer men het getal één gebruikt, het getal twee noodzakelijkerwijs volgt. Derhalve, wanneer men zegt God is Eén, dan moet twee, of een tweede god, komen. Misschien moet iemand hem erop wijzen dat indien zijn bewering correct is, met andere woorden wanneer men zegt één, dat twee dan moet volgen, dan moet wanneer men zegt drie, het getal vier onvermijdelijk volgen.

 

NOOT: In de Heilige Koran worden er twee woorden gebruikt voor één: wahid en ahad. Wahid betekent de eerste van een reeks, terwijl ahad betekent één, waarna niets meer volgt.

 

Kortom, deze verkondiging van de Heilige Koran leidt tot de conclusie dat God Eén is en dat Hij die God is, Die in Zichzelf de volmaakte attributen bevat en van Wiens bestaan de menselijke innerlijke natuur getuigt. En met het gebruik van het enkelvoudig getal ahad is het de intentie te laten zien dat Zijn eenheid zo volmaakt is, dat Hij geen deelgenoot heeft in Zijn Wezen, noch in Zijn attributen, noch in Zijn werken.

 

Nu is het duidelijk dat sjirk (polytheïsme) uit drie soorten bestaat. Ten eerste die van afhankelijkheid van hulpmiddelen; ten tweede die van afkomst; en ten derde die van gelijkenis met zichzelf. In dit hoofdstuk verwijst de Heilige Koran naar de drie soorten van sjirk en het verkondigt dat Allah, die Eén is, boven behoeften staat en vrij is van deze drie beperkingen.

 

Wij zullen het eerste soort van polytheïsme beschouwen – afhankelijkheid van hulpmiddelen. Indien Allah net als wij, wat betreft Zijn attributen en werken, afhankelijk is van andere hulpmiddelen, dan is het duidelijk dat voor de manifestatie en uitvoering van Zijn werken, deze zaken tezamen met Hem in bestaan moeten komen, of Zijn bestaan moeten zijn voorafgegaan, en dit is sjirk (polytheïsme). Om te zien bijvoorbeeld hebben wij ogen en licht nodig; om te horen hebben wij oren en luchtgolven nodig. Indien wij iets wensen te bouwen, dan hebben wij handen en materiaal nodig. Indien Allah ook zo is, dan moet de noodzaak van al deze zaken samen met Hem bestaan of vóór Hem, en zonder hen zouden dan noch Zijn attributen, noch Zijn Goddelijkheid in werking kunnen treden. Vandaar dat dit de grootste vorm van sjirk (polytheïsme) is.

 

Om te kunnen functioneren, zijn wij mensen dus afhankelijk van de natuurwetten. Wanneer wij derhalve van plan zijn iets te doen, nemen wij onze toevlucht tot de natuurwetten, aangezien wij deze nodig hebben en zonder hen niets kunnen doen. Evenzo, indien Allah de natuurwetten nodig heeft en geen alternatief heeft dan Zich tot deze te wenden teneinde te functioneren, dan is het noodzakelijk dat deze wetten bestonden vóór Hem met behulp waarvan Zijn Goddelijkheid in werking kan treden, en indien deze wetten niet bestonden, dan zou Hij (moge Allah het behoeden) niets kunnen doen. Die filosofen dus die geloven dat Allah gelimiteerd is en wetten nodig heeft, prediken in werkelijkheid polytheïsme. Om alle vormen van polytheïsme te weerleggen, zegt de Heilige Koran: Allahoe-s-Samad. Samad betekent Degene Die boven alle behoeften staat en Degene tot Wie allen zich wenden voor de vervulling van hun behoeften. In feite is Hij de Maker en Schepper van elk ding. Allen zijn van Hem afhankelijk voor hun geboorte, hun leven en alle andere soorten van behoeften. En Hij staat in zo’n mate boven de behoefte van alle zaken, dat Hij helemaal vrij is van al die wetten en hulpmiddelen waarvan wij, mensen, afhankelijk zijn. Integendeel is het zo dat al die wetten en hulpmiddelen van Hem afhankelijk zijn en hun bestaan aan Hem te danken hebben. In feite zijn wetten en hulpmiddelen andere namen voor de Goddelijke werken, waaronder de gehele schepping functioneert, en waarvan het zelfs niet in het minste kan afwijken. Eén van de kenmerken van Allah is dus dat Hij Ghaliboe `ala amrihi is, met andere woorden, Allah heeft het totale gebod over Zijn wetten en hulpmiddelen, omdat Hij de Meester van het Koninkrijk is, en uit Hem alle wetten en hulpmiddelen voortkomen, waarmee de gehele schepping op ingewikkelde wijze is verbonden. De betekenis van dit alles is dat Allah Volmaakt is en Ongelimiteerd in Zijn persoon, attributen en daden, en dat er in Hem geen spoor van polytheïsme is. Kortom, afhankelijkheid van hulpmiddelen, wat de wortel is van alle vormen van polytheïsme, is uitgeroeid en derhalve is de Eenheid van Allah in alle opzichten geperfectioneerd.

 

Laten wij nu onderzoeken of er enige familierelaties zijn met betrekking tot Allah. Familierelatie is een soort van afhankelijkheid en is tegenovergesteld aan het attribuut Samad, hetgeen betekent Zelfgenoegzaam en van Wie allen afhankelijk zijn.

 

Een familierelatie maakt het noodzakelijk dat een persoon de vader is van iemand, of de zoon van iemand, dus dat hij geboorte geeft aan iemand of is geboren door iemand. Dit is hoe nakomelingenschap voorduurt. Maar wanneer er een keten is van afstammelingen, dan wordt het concept van de Eenheid van Allah vernietigd, omdat er dan een dynastie van goden moet zijn. Dit is waarom Allah zegt: Lam yalid wa lam yoelad (Hij baart niet, noch is Hij gebaard). En met deze simpele verklaring worden alle valse leerstellingen van de Christenen en de polytheïsten weerlegd. Vele Arabische polytheïsten schreven dochters toe aan Allah en plachten hen als godinnen te aanbidden, terwijl de zonaanbidders en polytheïsten geloofden in godheden, geboren uit maagdelijke moeders, die beschouwd werden als zonen van God. Op deze wijze werd, nadat de religie van de zonaanbidders zich vermengd had met het Christendom en de Christenen ook ondergedompeld werden in de religie van de zonaanbidders, vervolgens het geloof van Jezus als de zoon van God overgenomen, en bijgevolg geloofde men dat Maria de moeder van God was. Zo begonnen zij te geloven in een God, een zoon van God en een moeder van God.

 

De Heilige Koran roeit al deze foutieve geloofsopvattingen uit met deze twee verklaringen: Lam yalid wa lam yoelad (Hij baart niet, noch is Hij gebaard). Er is, met andere woorden, geen voortplantingsketen bij Allâh. In feite is Hij Zelfbestaand en heeft geen begin noch een eind.

 

Het volgende is een conversatie tussen een Christelijke vader (C) en de auteur (A) over het vraagstuk van de Eenheid van God:

 

C:        Weet u wie de Messias is?

A:        Ja, ik weet wie hij is.

C:        Gelooft u in hem?

A;        Ja, ik geloof in hem.

C:        Wat is uw geloof aangaande hem?

A:        Ik geloof dat hij een profeet van God is.

C:        Dan gelooft u in niets.

A:        Wat dien ik dan te geloven?

C:        U dient hem als de Zoon van God te accepteren.

A:         Oh! Heeft God een zoon? Wel, indien hij een zoon heeft, dan moeten er ook een vader en een grootvader zijn! Want het bestaan van een zoon veronderstelt een proces van voortplanting bij God, en indien dit het geval is, dan is het duidelijk dat God geboren moet zijn en Hij ook moet sterven, want zo werken de wetten van voortplanting in onze wereld. Want er is in de mensen altijd de angst voor uitsterving aanwezig en daarom heeft God het voortplantingsproces ingesteld, zodat de mens vrij is van uitsterving. Aangezien planten, dieren en ook de mens de dood onder ogen moeten zien, is er een voorziening getroffen voor het voortbestaan van hun soorten door de wet der voortplanting. Anderzijds sterven andere zaken als de zon en de bergen niet en die hebben dus geen enkele vader of zoon nodig. Indien er derhalve een voortplantingsproces bij God bestaat, dan moet hij onvermijdelijk sterven, en indien u dus gelooft dat Jezus de zoon van God is, dan zal God, de Vader, moeten sterven en Zijn zoon als Zijn erfgenaam moeten achterlaten. Dit is waarom de Heilige Koran stelt lam yalid, namelijk dat God geen zoon heeft. Dit wordt dan gevolgd door de stelling lam yoelad, oftewel Hij is niet iemands zoon, want indien er een zoon is, dan moet er een vader zijn. Anderzijds, indien Hij geen vader heeft en Hij in de oneindigheid bestaat, dan kan Hij geen zoon hebben, daar Hij vanaf het begin bestaat en voor altijd zal blijven bestaan. Dus heeft Hij geen zoon nodig.”

 

Deze lijn van betoog deed de Christelijke vader versteld staan en hij antwoordde: “Nee, nee, God heeft geen vader. Hij sterft niet. Hij is Eeuwig en Zijn zoon is ook Eeuwig.”

 

A:         “Waarom zegt u dan God en zoon? U dient te zeggen, God en broeders, of God en deelgenoten, want u moet een goede reden hebben om de een als de Vader te beschouwen en de ander als de zoon.

C:         Wacht even, wacht even. Laat mij het op een andere manier uitleggen. Beschouw de Vader als de belichaming van Rechtvaardigheid en de zoon als Genade. Bijvoorbeeld, laten wij zeggen dat u en ik een misdaad hebben gepleegd, en dat de rechter een strafvonnis tegen ons heeft uitgevaardigd. Maar indien de Opperste heerser wenst het vonnis op te heffen door Zijn genade, dan kan hij ons niet vrijstellen, omdat dit tegen de eisen van rechtvaardigheid ingaat. Echter, indien hij zijn zoon zendt om het vonnis te dragen in plaats van wij, dan zal hij op deze wijze in staat zijn het recht te handhaven en tegelijkertijd zullen wij baat vinden bij zijn genade.

A:         De definitie van rechtvaardigheid is dat de misdadiger dient te worden gestraft voor zijn misdaad, en de definitie van genade is dat de misdadiger wordt vergeven voor zijn misdaad. De definitie van kwaaddoen en onrechtvaardigheid is dat de echte schuldige vrij wordt gelaten en dat een onschuldig persoon in zijn plaats wordt gestraft. Volgens uw stelling heeft God, de Vader, noch genade getoond, noch rechtvaardigheid, maar heeft in plaats daarvan een grote onrechtvaardigheid begaan door Zijn onschuldige zoon aan het kruis te plaatsen voor de misdaden van anderen.

 

Dit horende, werd de Christelijke vader sprakeloos.

 

Wij komen nu aan bij de derde soort van deelgenootschap – namelijk dat van gelijkenis of gelijkheid. De Heilige Koran zegt: Lam yakoel-lahoe koefoewan ahad, hetgeen betekent: niemand is als Hem, en niemand is aan Hem gelijk. Met andere woorden, wanneer er geen gelijkenis van Hem is in attributen en werken, hoe kan er dan een deelgenoot van Hem zijn? Er kan een gelijkenis van twee soorten zijn: of God is afhankelijk van hulpmiddelen, in welk geval Hij iemand anders nodig zou hebben, en de mogelijkheid zou bestaan dat iemand anders op Hem lijkt of aan Hem gelijk is. Maar aangezien Hij niets nodig heeft, maar in plaats daarvan alles van Hem afhankelijk is, hoe kan er dan een gelijkenis van Hem zijn?

 

Of de tweede soort van gelijkenis is via voortplanting. Dat wil zeggen, indien Hij het lid van een familie zou zijn, dan zou er een gelijkenis van Hem zijn. Maar aangezien dat niet het geval is, is er geen sprake van dat iemand Hem gelijkt, en is er geen mogelijkheid van dualiteit in Hem. Op deze wijze is aan allen, die geloven dat God een vrouw heeft, een weerlegging gegeven, alsook de zonaanbidders die geloven in het bestaan van twee goden: één, de schepper van goedheid, Yazdan genaamd, en de ander, de schepper van het kwaad, Ahraman genaamd.

 

De Heilige Koran heeft ons verteld dat al deze geloofsopvattingen verkeerd zijn, want wanneer God volmaakt is in schoonheid en goedheid, en Hij de Bezitter is van alle schone en volmaakte attributen, en Hij het oppergezag heeft over Zijn attributen en daden en ook grenzeloos is, en allen van Hem afhankelijk zijn terwijl Hij boven alles staat, en Hij vanaf de oneindigheid bestaat en voor altijd zal blijven en ver verwijderd is van de voortplantingswetten, hoe kan er dan een gelijke van Hem of iemand als Hem zijn?

 

Kortom, in dit hoofdstuk wordt de Eenheid van Allah op een volmaakte wijze uitgelegd en is enige mogelijkheid van deelgenootschap van Hem in Zijn wezen, in Zijn attributen en in Zijn daden uitgeschakeld, en zijn alle mogelijke argumenten ten gunste van een deelgenootschap van Hem verworpen door onweerlegbare redeneringen en argumenten. Bovendien zijn de alomvattende kennis en de Eenheid van Allah op een zuivere, volmaakte en ongeëvenaarde wijze geportretteerd. Dit is de reden dat de leerstellingen van de Heilige Koran worden afgesloten met dit hoofdstuk, hoewel er hierna nog twee hoofdstukken zijn die moe`awwazatain worden genoemd, oftewel gebeden om toevlucht tot Allah te zoeken. In deze smeekbeden zoekt men bescherming tegen verborgen en uiterlijke kwaden.

 

De Heilige Profeet Mohammad (s.a.w.) heeft gezegd dat dit hoofdstuk (Al-Ichlaas) éénderde van de Heilige Koran is, omdat er geen twijfel is dat éénderde van de Heilige Koran handelt over de Eenheid van Allah, waarvan de essentie in dit hoofdstuk werd vervat.

 

 

Bismillah

112 Al Ichlaas

113 Al Falaq

114 An Naas