|
Het woord Islam betekent:
1. Zich geheel en al onderwerpen aan de wil van God;
2. Vrede betrachten.
Vrede heeft drie aspecten, t.w. vrede met de medemens, vrede met
God en vrede in het hart.
Het doel van de leer van de Islam is om de mens dusdanig op te
voeden, dat zijn doen en laten alleen voor Allah, de Schepper en Onderhouder
der werelden wordt; dat de mens in vrede leeft met zijn medeschepselen, en met
God en zodoende een volkomen vrede heeft in zijn binnenste. Dit bereikt de
Islam door de mens het juiste inzicht te schenken omtrent zijn bestaan, zijn
Schepper en zijn medeschepselen. Hiervoor geeft de Islam twee soorten
voorschriften:
1. Praktische (die men in praktijk moet brengen).
2. Geloofswaarheden (dat zijn de richtlijnen, die de verhouding
van de mens bepalen ten opzichte van de wereld om hem heen.
Voorschriften van de Islam zijn niet anders dan richtingaanwijzers
en lichtbakens, die het schip de richting aangeven om veilig in de haven te
landen. De bronnen van de leer van de Islam zijn: Koran en Hadies.
Koran
De Koran bevat de openbaringen, die de Profeet gedurende 23
jaren van zijn roeping heeft ontvangen.
De openbaringen van de Koran zijn mechanische openbaringen, d.w.z.
dat deze openbaringen geheel en al door God zijn gegeven, waaraan het
denkvermogen van de ontvanger niet te pas komt. Organische openbaringen
daarentegen zijn niet geheel en al van God. De gedachten kunnen soms van
hogerhand komen, maar de ontvanger geeft ze weer in zijn eigen woorden.
De mechanische openbaringen geven het woord zuiver weer, terwijl in
geval van de organische openbaringen het menselijke woord een grote rol kan
spelen.
De Profeet van de Islam heeft beide soorten openbaringen gehad. De
eerste soort is in de vorm van de Koran tot ons gekomen en de tweede soort is
in de boeken van Hadies te vinden.
Het bewijs, dat de Koran inderdaad door God is geopenbaard, is de
Koran zelf.
De Arabieren stonden sceptisch tegenover de boodschap van Mohammed
en beschuldigden hem, dat hij de openbaringen zelf zou hebben uitgedacht of dat
hij iemand anders zou hebben verborgen gehouden om voor hem dag en nacht verzen
te maken. In beide gevallen zou de Koran het bedenksel zijn van het menselijk
brein.
Maar in de Koran zelf wordt dit bezwaar van de ongelovigen zo
weggenomen, dat zij worden uitgedaagd om een soortgelijk boek te produceren.
Indien zij er in zouden slagen, zouden zij overwinnaar zijn en de Profeet zou
dan als een niet-ware Profeet zijn ontmaskerd. Zouden zij er niet in slagen om
de Koran-verzen te evenaren, dan zou de waarheid van Mohammed's boodschap
bevestigd worden.
Het is bekend, dat de Arabieren bedreven waren in hun dichtkunst
en vertelkunst. Zij waren als het ware de ridders voor de taal en daarom
noemden ze ieder ander volk Adjami (dat niet spreken kan). Zij waren
afgodendienaren en bereid ieder offer te brengen voor hun afgoden. Zij wilden
de boodschap van de Islam niet accepteren, omdat deze hun afgoden afkeurde. Zij
deden alles wat zij doen konden om de boodschap van de Islam in de kiem te
smoren. Hiervoor hebben zij vele mensen van het leven beroofd en oorlogen
gevoerd tegen de Islam. Maar zij deden geen moeite om iets op literair gebied
te produceren om te bewijzen, dat de Koran niet van God was. Dit hebben zij
niet gedaan, omdat zij de literaire waarde van een boek beter konden schatten
en daarom wisten, dat het onmogelijk was de Koran te evenaren.
Mohammed was een ongeletterd man, die geen universiteit had
bezocht. Hij heeft een boek geproduceerd, dat gegevens bevat, die de
natuurwetenschap na zolange tijd geworsteld te hebben, in onze dagen heeft
ontdekt. Een ongeletterd man kon dergelijke dingen niet uit zichzelf onthullen
zonder kennis van hogerhand te hebben gekregen.
In de Koran lezen we bijvoorbeeld, dat alles in paren is
geschapen. Dus het negatieve en positieve principe is in alles merkbaar. Dit
heeft de wetenschap veel later ontdekt dan de openbaring van de Koran.
Alles is in beweging, ook de bergen en hemellichamen. Dit kon
Mohammed niet uit zichzelf zeggen, want de vroegere heilige boeken vermelden
anders. De mensen hebben anders geloofd, totdat Galilei kwam, maar de Koran had
honderden jaren daarvoor erop gewezen.
Dit zijn enkele overwegingen, die ons ertoe leiden te beseffen, dat
de Koran niet door Mohammed zelf kan zijn uitgedacht. Daarom is ook de Koran de
voornaamste en doorslaggevende bron voor de leer van de Islam. Indien men een
Hadies tegenkomt, die in strijd is met de leer van de Koran, moet men de Koran
boven de Hadies kiezen.
Hadies
Hadies is de verzamelnaam voor de boeken waarin men de overlevering
van Mohammed heeft verzameld. In deze boeken heeft men de woorden en de
praktijk van de Profeet en zijn metgezellen zo nauwkeurig mogelijk
weergegeven.
Hadies betekent overlevering en het meervoud hiervan is: Ahadies.
De boeken waarin de overleveringen zijn verzameld zijn tot 200
jaar na het heengaan van de Profeet tot stand gekomen. Er zijn talrijke boeken
van Hadies, maar Bochari en Moslim zijn de betrouwbaarste ervan. Indien een
Hadies in strijd is met hetgeen in deze twee boeken voorkomt, wordt dat niet
geaccepteerd.
Hoewel men er veel zorg voor heeft gedragen om zo nauwkeurig
mogelijk alles op te tekenen, bestaat toch de mogelijkheid, dat er een fout zou
zijn gemaakt. Daarom moet men ook zijn verstand gebruiken en niets klakkeloos
aannemen. Indien iets vermeld wordt wat tegen het gezonde verstand indruist,
kunnen wij dat niet als door de Profeet van God verteld beschouwen. Want de
boodschappers van God kunnen ons niet iets leren, wat niet verstandig zou zijn.
De verhouding van de Islam tot
andere Godsdiensten
De Islam leert, dat God van tijd tot tijd Zijn boodschappers heeft
gezonden naar alle volkeren om hun de rechte weg te tonen. Wij kunnen niet
geloven, dat God alleen naar een bepaald volk Zijn Boodschap zou hebben
gezonden en niet naar andere, want Hij is de Schepper en Onderhouder der
werelden. Zoals Hij in de materiNle behoeften van de mensheid voorziet, doet Hij dit ook in de
geestelijke behoeften.
Islam erkent dus de waarheid in alle religies en leert geloven in
alle Profeten, die door God waren gezonden.
Maar Islam leert tevens dat de vroegere godsdiensten niet
universeel waren, want de mensheid was niet zo nauw verbonden als nu. Het was
niet zo gemakkelijk om van een land naar een ander te reizen. Het zou een
onmogelijke opgave zijn om deze universele boodschap overal te gaan brengen.
Bovendien zou de universele boodschap ook niet bewaard zijn gebleven. Wij
kunnen dit duidelijk inzien als wij de 500 jaar oudere boodschap, die van het
Christendom gadeslaan. De heilige geschriften zijn zodanig veranderd, dat men
nu nauwelijks kan nagaan, wat door de oorspronkelijke schrijvers eigenlijk
bedoeld was. Een godsdienst, die zijn boodschap niet kan bewaren, kan niet als
de universele leer beschouwd worden.
De vroegere godsdiensten hebben de mens als een onvolwassen kind
beschouwd en zodanig hebben zij hen willen opvoeden. Daarom geven zij de leer
aan de mens als de ouders hun kind opvoeden.
Als een kind niet rijp genoeg is om de reden van een gebod of
voorschrift te begrijpen, wordt het gebod of verbod gegeven zonder er bij te
zeggen waarom. Maar indien het kind rijp is geworden en in staat is om de reden
te kunnen begrijpen, wordt hem geen gebod of verbod gegeven zonder er de rede
bij op te geven.
Als wij dit principe voor ogen houden, kunnen wij beter begrijpen
welke godsdienst nu als universele godsdienst kan worden beschouwd. Dit kunnen
wij nog beter begrijpen als wij het Oude en Nieuwe Testament onder de loep
nemen. Deze beide boeken geven ons de leer, zonder er bij de mogelijkheid voor
ons zelfstandig denken en handelen open te laten. Neemt u het gebod van Mozes:
Tand om tand en oog om oog en vergelijkt u dit met: "Indien iemand u op uw
rechterwang slaat, keert hem de andere toe." (Mattheus)
Het eerste gebod leert ons vergelden en het tweede vergeven, maar
in beide gevallen heeft men geen eigen keuze. Hier schijnt de mens in de
toestand van onrijpheid te verkeren, die niet zo ontwikkeld is, dat hij zijn
eigen keuze zou kunnen bepalen.
De Islam is echter op een tijdperk gekomen, dat de mensheid was
begonnen dichter bij elkaar te komen. De geschiedenis vertelt ons, dat na de
opkomst van de Islam de gehele wereld dichterbij elkaar is gekomen.
Het geopenbaarde boek van de Islam, dat de universele boodschap
bevat, is bewaard tot ons gekomen, zonder door mensenhanden veranderd te zijn.
De Islam heeft de mens niet gezien als een onrijp kind, doch als een verstandig
mens, in staat zijn handelingen te bepalen. Daarom heeft hij met elk gebod of
verbod beroep gedaan op de rede van de mens en zelfs het geloof, aan de rede
onderworpen. Hij leert niet meer dat de mens als een kind moet geloven, doch
als een volwassen mens moet nadenken en alles onderzoeken.
In geval van geboden of verboden, laat hij ook de mogelijkheid, dat
de mens zijn handelingen bepaalt en zodoende zijn geestelijke ontwikkeling
bereikt. Over vergelding en vergeving zegt de Islam, dat het geoorloofd is om
de boosdoener te vergelden of te vergeven. Maar in beide gevallen moet men
verbetering voor ogen houden, verbetering van de tegenstander, van de
samenleving. Het is duidelijk, dat in sommige gevallen vergeven beter is, maar
in andere gevallen het vergelden beter op zijn plaats.
Daarom is de gehele leer van de Islam op dit principe gebaseerd en
overal bespeurt men de universiteit. Er wordt niet meer gesproken over een
nationale Godheid, doch over God der Werelden. Er is geen God van een stam,
volk of land, doch een God, die tot alle mensen behoort.
"Lof zij Allah de Heer der werelden."
|
|